Haal niet de hele verloskundige zorg overhoop op grond van dubieuze onderzoekscijfers, stelt Miquel Ekkelenkamp, arts-microbioloog, romanschrijver en publicist.
Met tussenpozen laait de discussie op over de veiligheid van bevallen in Nederland- per definitie een sterk emotioneel geladen discussie. Ze leidt geregeld tot confrontaties tussen de belangenverenigingen van gynaecologen en van verloskundigen. De ophef begon toen in 2003 een rapport verscheen dat sterfte van Europese landen met elkaar vergeleek: 'Peristat'. In dit rapport en in de opvolger 'Peristat II' van 2008, kwam Nederland er beroerd uit. Hier overleden rond de bevalling 10,2 van elke duizend kinderen, en volgens Peristat II was dit bijna twee keer zo veel als in andere landen. Alleen Frankrijk scoorde slechter.
De cijfers van Peristat zijn echter zo krankzinnig dat je ze niet serieus kunt nemen. Om maar een voorbeeld te noemen: Slowakije had in Peristat II de laagste babysterfte, terwijl het een jaar later werd aangewezen als het land met de slechtste gezondheidszorg van de hele EU.
Een groot probleem van de Peristat-onderzoeken is dat de gegevens op verschillende manieren zijn verzameld. Nederland is het enige Europese land met een specifiek meldingssysteem voor perinatale sterfte, de meeste andere landen leverden cijfers aan op basis van ziekenhuisfacturen en gegevens van de burgerlijke stand. Dit laatste is waarschijnlijk vele malen minder betrouwbaar. Ondanks de dubieuze tot standkoming, heeft de Nederlandse Vereniging van Obstetrici en Gynaecologen (NVOG) de uitkomsten van Peristat omarmd, en ook de minister van VWS gelooft dat er in Nederland abnormaal veel babysterfte is. Zij heeft daarom de komst van geboortecentra afgekondigd, waarin vierentwintig uur per dag verloskundige zorg wordt geboden.
Zorg kan natuurlijk altijd beter en elk overleden kind is er één te veel, maar het is zeer de vraag hoeveel winst er op dit terrein in Nederland te behalen is. Als we het werkelijk zo slecht deden, zou met een paar maanden gedegen onderzoek een beerput aan grove nalatigheden moeten worden opengetrokken. Het tegengestelde blijkt het geval: talloze studies, rapporten en audits verder blijft het uitzonderlijk vaag wat er precies in Nederland fout gaat. Dat de NVOG uitdraagt dat betere zorg de perinatale sterfte met 500 tot 1000 kinderen per jaar zou doen afnemen (een halvering), terwijl niemand weet wat deze veroorzaakt, is op zijn minste surrealistisch.
Vaak komt het Nederlands systeem van thuisbevallingen onder vuur te staan. Enerzijds is dit begrijpelijk- andere Europese landen doen hier niet aan- anderzijds weer niet: slechts vijf procent van alle babysterfte vindt hier plaats, dus thuisbevalingen kunnen de slechte score in Peristat niet verklaren. Desalniettemin zijn er aawijzingen dat thuis bevallen een extra risico met zich meebrengt. Een recente studie in de regio Utrecht vergeleek bevallingen in de 'eerste lijn', (zelfstandige verloskundige praktijken) en de 'tweede lijn' (gynaecologen en verloskundigen verbonden aan een ziekenhuis) en kwam tot de conclusie dat er in de eerste lijn per duizend bevallingen één kind meer overleed. Een herhaling van het onderzoek in de regio Amsterdam kwam tot soortgelijke resultaten. Om op basis van deze twee studies het hele verloskundige systeem overhoop te halen voert wat ver, maar ze kunnen ook niet zomaar terzijde worden geschoven. Indien we aannemen dat de uitkomsten kloppen , zou het begeleiden van ale bevallingen in de tweede lijn een afname in sterfte bewerkstelligen van 10,2 naar 9,8 per duizend geboortes, oftewel 72 kinderen per jaar.
Het voorlopig laatste hoofdstuk in de discussie betreft het document 'Integrale verloskundige zorg in Nederland', dat afgelopen maand door de NVOG werd uitgebracht. Het document, dat zich vooral heeft onderscheiden door de totale afwezigheid van media-aandacht, bepleit bijzonder ingrijpende wijzigingen . Er staat niet letterlijk in 'met thuisbevallingen moeten we stoppen', maar dat wordt tussen de regels door wel bedoeld, Verder wil de NVOG de twee gescheiden systemen voor zwangerschapsbegeleiding (dat van de verloskundigen en dat van de gynaecologen) samenvoegen tot één organisatie. De facto zou dit het einde bgetekenen van verloskundige als zelfstandige beroep: verloskundigen zouden allemaal komen te werken onder eindverantwoordelijkheid van een gynaecoloog. De vereniging van verloskundigen (KNOV) is het vanzelfsprekend met de visie in het document oneens.
De reorganisatie die het NVOG voor ogen staat zou per jaar iets van 20 à 60 miljoen euro kosten en behelst op korte termijn behoorlijke risico's - twee organisaties samenvoegen die daar zelf geen zin in hebben, gaat zelden zonder slag of stoot. Waarschijnlijk left de minister het NVOG-document voorlopig naast zich neer, in afwachting van het (waarschijnlijk onmeetbare) effect van de geboortecentra. Omdat het wiskundig is uitgesloten dat de Nederlandse positie in de Peristat-lijsten hiermee zal verbeteren, komt het onderwerp over een paar jaar automatisch weer op de politieke agenda. Hopenlijk beschikken we tegen die tijd over meer en beter onderzoek om beleid op te baseren. Want waar we het nu mee moeten doen, is wel érg mager. |